Home

Boeken

Reizen

Opinie

Lekkers

Oudheid

Varia

Contact

Archief

Archief

- boeken

- reizen

- opinie

- lekkers

- oudheid

- varia

Boeken
Waar blijft A.F.Th…….?

Adri van der Heijden belooft veel, schrijft veel, maar komt nog steeds niet ‘door‘ met zijn al lang geleden aangekondigde afsluiting van de Tandeloze Tijd-reeks (TT). Er waren eerst andere prioriteiten, zoals het prachtige Doodverf uit 2009, met daarin een macabere uitwerking van een dramatische gebeurtenis uit de oorspronkelijke TT-reeks. En natuurlijk het –ook door A.F.Th. natuurlijk niet voorziene- schitterende maar droevig stemmende boek Tonio, terecht bekroond met o.a. Libris- en NS publieksprijs. Ik herinner me de sensatie nog goed, die ik voelde toen ik in het eerste deel van de TT begon (Vallende Ouders, uit 1983) – dit was Literatuur met een grote L. Vlak daarna volgde de proloog (De Slag om de Blauwbrug, 1983), maar het maakte niet zoveel uit in welke volgorde je de TT-reeks las – het was gewoon allemaal goed. Deel 2 (De Gevarendriehoek) volgde in 1985 en toen was het voor wat betreft de TT vijf jaar stil….tot in 1990 deel 4 (!) verscheen: het weergaloze boek Advocaat van de Hanen. Dipsomanie: een woord dat ik toen voor het eerst las, en waarvan de betekenis me nu nog aan het lachen maakt. Tenslotte (maar wat is bij A.F.Th. de betekenis van het word ‘tenslotte’?) volgden snel na elkaar delen 3.1 en 3.2: Het Hof van Barmhartigheid en Onder het Plaveisel het Moeras (beide in 1996). Maar liefst zes boeken, waarvan er vijf een behoorlijke plaats innnamen op de toch al goed gevulde A.F.Th.-boekenplank. Ik had destijds het gevoel dat het hiermee wel gedaan was, en wachtte nieuwe boeken van de auteur af. Die kwamen er, o.a. in de vorm van dagboekaantekeningen (Engelenplaque) en het begin van een nieuw Groot Project, getiteld Homo Duplex (HD). De eerste twee delen van HD heb ik me doorheen geworsteld, maar eerlijk gezegd vond ik er geen bal aan……Movo Tapes en Het Schervengericht gaan zeker niet mee naar het onbewoonde eiland, als ik daar een kistje boeken mee naar toe mag nemen.

Ik begon te twijfelen aan mijn A.F.Th-verslaving, tot dat prachtige boek Doodverf in 2009 zo maar op de planken lag. En natuurlijk ook Tonio, wat mij betreft van hetzelfde niveau als – bijvoorbeeld – De Avonden van G.K. van het Reve. En mogen we A.F.Th. geloven, dan volgen er nog wat nieuwe TT-delen: oorspronkelijk (maar wat is ‘oorspronkelijk’ bij deze schrijver?) aangekondigd voor najaar 2012, maar nu vooruit geschoven naar 2013. Laat de man, die in 1978 debuteerde als Patricio Canaponi met het boek Een Gondel in de Herengracht, aub zijn beloftes en ambities nu waarmaken. Dat Homo Duplex-project kan nog wel even wachten, nietwaar? Ik ga al zijn TT-boeken herlezen als er een nieuw deel uitkomt. Beloofd is beloofd!


Konstantinos P. Kavafis (1863-1933)

Griekenland bracht vele dichters voort, om te beginnen natuurlijk: Homerus. Als leerlingen op de middelbare school lazen we Homerus klassikaal, en vertaalden we de dichter bij twintig regels tegelijk als huiswerk. Nog steeds ken ik de eerste regels van zowel de Ilias als de Odyssee uit mijn hoofd: “Andra moi ennepe, Mousa, polytropon hos mala polla….”, zo begon de Odyssee. Ach ja: niet al te nuttige kennis, maar nog altijd leuk om mee te schermen en te laten zien dat je ‘niet van de straat bent’. Tijdens mijn studietijd was het lezen van gedichten geen dagelijke bezigheid….we lazen romans en verhalen, en gedichten lezen was meer iets voor stoffige intellectuelen, oudere romantici of Neerlandici in opleiding. Dat ik op zekere dag min of meer in de ban raakte van de Griekse dichter Kavafis was dan ook puur toeval. Waarschijnlijk had ik er iets over gelezen in een vroeg nummer van het blad over homostudies (tegenwoordig zouden we dat ‘genderstudies’ noemen) Homologie, dat van 1978 tot 1997 verscheen en veel aandacht besteedde aan literatuur. Hoe dan ook: ik schafte een Nederlandse vertaling van gedichten van Kavafis aan, die gemaakt was door prof.dr. G.H. Blanken (1902-1986), hoogleraar in o.a. het Nieuw-Grieks aan de Universiteit van Amsterdam, en door Athenaeum-Polak & Van Gennep in 1977 uitgegeven. Een hele aanschaf want ook al is het omslag nu behoorlijk vergeeld, het staat nog steeds als een uitzonderlijk fraai uitgegeven boek in mijn kast.

Kavafis werd geboren in hetzelfde jaar als Louis Couperus, en ook voor het overige heben ze veel met elkaar gemeen. Ze waren allebei buitenbeentjes in de hen omliggende wereld, de wereld van het exotische was beiden niet vreemd, ze hielden allebei van jonge mannen en schroomden niet om daarover te schrijven. Couperus –bijvoorbeeld- in zijn prachtige werk De Berg van Licht, Kavafis in een groot aantal van zijn gedichten: er valt heel veel in dit oeuvre onder de noemer ‘homo-erotisch geörienteerde poëzie’. Omdat het dit jaar 150 jaar geleden is dat Kavafis geboren werd (in Alexandrië, waar een grote Griekse gemeenschap leefde en werkte) citeer ik graag een gedicht van hem, maar dan in een andere vertaling: die van Hans Warren en Mario Molegraaf uit 1984. Qua Nederlands is die vertaling een stukje toegankelijker dan Blankens nogal verheven taal.

De spiegel in het portaal In het voorname huis hing in het portaal een zeer grote, erg oude spiegel: minstens tachtig jaar geleden gekocht.

Een heel mooie jongen, bediende bij een kleermaker (op zondagen amateur athleet) stond er met een pakket. Hij overhandigde dit aan iemand uit het huis, die naar binnen ging voor het ontvangstbewijs. De kleermakersbediende bleef alleen, en wachtte. Hij trad op de spiegel toe, keek naar zichzelf en trok zijn das recht. Na vijf minuten bracht men hem het bewijs. Hij nam het aan en vertrok.

De oude spiegel echter, die zoveel gezien had in zijn jarenlange bestaan, duizenden dingen en gezichten. De oude spiegel echter was nu verheugd en trots omdat hij enkele minuten de ongerepte schoonheid in zich had opgenomen.

Reizen
Dichtbij kan het ook mooi zijn.

Voor reizigers is het natuurlijk heerlijk om de grenzen over te trekken, en naar Lissabon, Moskou, Bandoeng of San Francisco te trekken. Zelf ben ik er gematigd trots op nog nooit echt buiten Europa te zijn geweest, met één uitzondering: begin 2012 vloog ik naar Istanbul, en daar kun je landen in het Europese deel van de stad, maar ook aan de Aziatische kant van de Bosporus is er een vliegveld. Mijn vlucht landde op dat laatste vliegveld, en ik stapte er dus voor het eerst op niet-Europese grond.

Dichter bij huis kan het ook erg mooi zijn. De Kerstdagen brachten we door in het noorden van Twente, om precies te zijn: in Tilligte. Daar huurden we een oude boerderij, waar genoeg plaats was voor 12 personen. Twente is mijn geboortestreek (ik ben geboren en getogen in Enschede), dus ik voel me er sowieso erg thuis. Het mooiste vind ik dan toch het landschap, op de voet gevolgd door het dialect. De boer, bij wie we logies huurden, sprak alleen Twents, en ik kon me zowaar weer goed redden in de ‘moodersproake’. Prachtige man trouwens: ruim over de 80, vol verhalen en grapjes, uitstekend gehumeurd en ‘fier’ op zijn bedrijf, dat hij van zijn ouders had geërfd en waar hij nog maar even twee grote schuren (voor het fokken van kalveren) had bijgebouwd – zonder naar de bank te hebben hoeven gaan, zoals hij er trots bij vermeldde.

Wandelen in Twente: we gingen er iedere dag op uit. Allereerst naar Vasse en Mander. Bekend terrein, ok al omdat we daar met onze respectievelijke ouders ook vaker kwamen, voor een kopje koffie met krentenwegge bij de Molen van Bels. Vanaf die oude watermolen kun je de es op (hoogteverschil: een meter of acht), en dan loop je eerst richting noord, waar een groot bos- en heidegebied begint. Daar, in het dal van de Mosbeek, bevindt zich ook de toegang tot de Galgenberg, waarop nog een oude grenspaal tussen Oversticht (zoals deze streek vroeger heette) en het Graafschap Bentheim te bewonderen is. Om precies te zijn: grenspaal 084!

Meer naar het westen loop je richting Mander, waar in prehistorische tijden een paar grafheuvels zijn opgeworpen. Zoals altijd met grafheuvels is er niet meer te zien dan een kegelvormige verhoging in het landschap, maar goed: wie er oog voor heeft en er open voor staat kan zich heel dicht bij de familieleden uit veel vroeger tijden thuis voelen.

Voor je het weet loop je hier de ‘groene grens’ over, bij Getelo en Lage. Ooit zagen we hier een troepje reeën over de velden rennen, en ook nu hoor je om je heen in deze tijd van het jaar nog regelmatig schoten uit jachtgeweren. Wreed tijdverdrijf, maar noodzakelijk om de wildstand op peil te houden. Wie ooit wel eens mee op jacht geweest is weet dat de jagers er alles aan doen om het leed voor de dieren zo klein mogelijk te houden. De wandeling bij Vasse eindigt steevast bij de Molen van Frans, iets stroomopwaarts van Bels. Deze molen kan nog in werking gezien worden, meestal op zondagen. Een rondje Galgenberg doe je in circa 1 ½ uur, maar is naar believen uit te breiden tot een dagtocht.

Twente: heerlijk land in elk jaargetijde!


Tinos: een herontdekking

Twee jaar geleden vroeg mijn goede vriend P. me of ik zin had om een weekje met hem en zijn ‘verloofde’ door te brengen op het Griekse eiland Tinos. Zij waren al ervaren Tinos-gangers, vooral omdat P’s partner er haar geliefde beeldhouwkunst kon beoefenen. Op Tinos wordt namelijk veel mooi marmer gevonden, en er zijn ook tientallen kunstenaars en handwerkslieden bezig om dat marmer te bewerken voor artistiek of huiselijk gebruik. 
Voor de plaatsbepaling: Tinos maakt onderdeel uit van de eilandengroep genaamd Cycladen, een groot aantal eilanden die samen in een soort van cirkel (Grieks: Kyklos) rond het aan Apollo gewijde eiland Delos liggen. De bekendste zijn Santorini, Paros en –vooral- Mykonos. In de tweede helft van de jaren ’70 van de vorige eeuw heb ik een tamelijk groot aantal van die eilanden bezocht, waaronder de Santorini, maar ook Naxos, Folegandros, Ios en Amorgos. Tinos kwam nog niet op het lijstje voor, en na 1980 waren het overigens ook Italië en Frankrijk, waar we veelal de zomervakanties doorbrachten.

Zomer 2011: met de Lufthansa vanaf Bremen en via München aangekomen op het nieuwe vliegveld van Athene bleek dat een totaal andere wereld dan die van vijfendertig jaar eerder op te leveren. Wél was het er nog steeds heet (een droge hitte, die ik trouwens prima verdraag) en lawaaiig: Grieken praten duidelijk harder dan andere volkeren rond de Middellandse Zee. Van het wat primitieve Griekenland was echter niets meer over….ook hier had de digitalisering toegeslagen, de drachme was vervangen door de Euro en in de bus van de luchthaven naar de haven van Rafina (oost-Attika) moest gewoon voor een kaartje betaald worden. Dat was in -pak ‘m beet 1975- in Athene wel anders: daar stond dan voor in de bus een soort van opengewerkte doos, waar je een (vrijwillige?) bijdrage in kon ‘offeren’.

Van Rafina, een aangenaam kleine haven, vertrekken dagelijks langzame en snelle boten naar de oostelijke Cycladen. De meeste daarvan doen in ieder geval Andros, Tinos en Mykonos aan. Vaar je langzaam (en wie begint zijn vakantie eigenlijk niet ‘slow’, nietwaar?), dan doet het schip er vier uur over om je over te varen.

In de haven van Tinos stonden P. en I. me die julidag op te wachten, duidelijk door de zon al flink gebruind. We reden een kilometer naar hun huurwoning, pal aan een baaitje gelegen, en aten aan het strandje in die baai heerlijke gebakken visjes bij Markos, die daar vanuit een soort van kelder onder een kapelletje een restaurant dreef. 
Een heerlijke week vol rust volgde….waarin een fantastisch strandje werd ontdekt (zie de bijgaande foto, met dank aan fotograaf Hans v.d. Veen), menige maaltijd op het dakterras aan zee is genoten, buiten gedoucht en gelezen werd…..en toen meende ik (deels ten onrechte) dat het tijd werd voor een volgend eiland: Paros. 
Dat viel tegen, omdat Paros toch vooral een eiland voor Griekse jongeren bleek te zijn. Nergens een strand waar je zonder textiel kon zwemmen: daarvoor reisde ik bijna dagelijks met bussen en een veerpontje naar Antiparos. Druk, disco, brommergeknetter alom, onvriendelijke bediening op de talloze terrassen van Naoussa. De terugkeer die zomer naar Tinos was werkelijk een verademing. Nog anderhalve week lang genoot ik iedere avond van een overheerlijke en met duidelijk plezier opgediende maaltijd bij Zacharias en Grigoris, de eigenaren van het restaurant Epinio. De alleen Nieuw-Grieks sprekende Michalis verhuurde me een piepklein kamertje met balkonzicht op de haven, voor weinig geld. Dagelijks ging ik naar mijn strandje bij de kapelletjes van de Gastriotitsa en van de H. Stefanos, en na ruim drie weken Griekenland kwam ik met een zekerheid thuis: Tinos was vanaf zomer 2011 ‘mijn’ eiland.


Opinie
Cultuurkatholiek In 2013 is het veertig jaar geleden dat ik voor het eerst in Rome kwam. In oktober van het jaar 1973 organiseerde mijn keurige katholieke school in Enschede voor het eerst in haar bestaan een Rome-reis voor de gymnasiumafdeling. Met twee begeleidende docenten Klassieke Talen en een tamelijk willekeurig geselecteerde mevrouw uit Lonneker stapten we in de trein, die ons eerst naar Arnhem bracht, en vandaar naar Milaan. De overstap in Milaan ging bijna fout, waarschijnlijk vanwege vertraging. Hoe dan ook: op een lauwwarme avond bereikten we Stazione Termini te Rome, waar ik op het moment dat we het station verlieten onmiddellijk het gevoel had dat er een grote moeder op me stond te wachten, die me in haar armen sloot met de woorden: “welkom thuis!”. Sindsdien ben ik erg vaak in Rome geweest, en ik heb me er dus vanaf het begin thuis gevoeld. Het was ook de plek en de periode, waarin de grote barsten in mijn katholieke opvoeding ontstonden. Bij de excursie naar het Vaticaan struikelden we buiten Vaticaanstad, maar wel lopend langs de immense hoge muren van de Pauselijke Staat, over bedelende vrouwen en kinderen, mismaakte mannen op krukken, onvoorstelbare armoede. Terwijl op luttele honderden meters daar vandaan de schatten van de Vaticaanse musea hoog stonden opgetast, het goud van de Sint Pieter je tegemoet straalde en het instituut verder ook geen pogingen deed om de puissante rijkdom te verbergen…..deze tegenstelling tussen de armoede buiten en de rijkdom binnen maakten dat ik me begon af te vragen of die Kerk nou wel op de goede weg was….en dat gevoel is vanaf 1973 dus blijven knagen.

Paus Paulus VI ging (heen), Johannes Paulus I kwam. Er was wat hoop, vanwege de brede lach waarmee de man de wereld tegemoet trad. Helaas: na luttele weken ging deze paus dood, en kwam er een Pool: Johannes Paulus II. Communicatief en aartsconservatief, helaas. En na JPII kwam Benedictus XVI: zo mogelijk nog conservatiever. De Kerk belandde in diens dagen in een diepe crisis, vanwege de ophef die ontstond toen bleek dat heel wat bedienaren van het woord Gods zich ook bediend hadden van kinderen, vrouwen en mannen - in seksuele zin. Waar kuisheid gepredikt werd heerste dus zonde….. Zelf had ik er al lang een punt achter gezet, dat wil zeggen dat toen de toenmalige bisschop van Groningen allerlei akeligs geroepen bleek te heben over homoseksualiteit, ik deze zelfde bisschop een brief schreef waarin ik aangaf dat ik me geen lid meer van zo’n kennelijk liefdeloze club wenste te voelen. Nooit antwoord op gekregen.

Nu heeft Benedictus XVI dus ‘intern’ (maar wel door de buitenwereld gehoord) min of meer verhuld, maar voor een zelfs middelmatige verstaander goed hoorbaar, gezegd dat homo’s een bedreiging voor de wereld vormen. Terecht reageren mensen hierop (en heus niet alleen homoseksuelen!), en proberen ze en masse die Kerk vaarwel te zeggen, zich te laten ontdopen zogezegd. Een begrijpelijke reactie, maar voor mensen van mijn generatie ook een wat moeizaam process. Want aan de ene kant wens je dus geen deel meer uit maken van en dergelijke liefdeloze club, aan de andere kant heeft die kerk je wel gevormd tot wie je bent. Ik noem mezelf dan ook maar gemakshalve een ‘cultuurkatholiek’: zo gedoopt, zo geworden, maar geen aanhanger meer van de leer. Dat velen dit voorbeeld mogen volgen!


Alles plat!!

Wie naar Griekenland reist wil graag weten of de bestemming bereikt kan worden, en dat is – gezien de vele stakingen in dit land – niet altijd zeker. Eén van de meeste wonderlijke websites in dit verband (maar ook een heel handige!) is deze. 
Op deze site kun je alle informatie vinden over aangekondigde stakingen, werkonderbrekingen, spontaan oproer, vakbondsacties etc.  Zo keek ik even bij de aankondigingen voor de komende periode (we schrijven eind april 2013), en zag dat er weer behoorlijk veel ellende op de toerist, maar vooral ook op de gewone Griek af komt. Zo levert de Dag van de Arbeid (die trouwens in Geiekenland dit jaar op 7 mei gevierd wordt, omdat 1 mei nog binnen de Paasweek ligt – Orthodox Pasen valt ook dit jaar weer op een heel ander moment dan ons Westerse Paasfeest) o.a. stakingen voor de metro in Athene op, en idem voor de binnenlandse veerdiensten. Fijntjes wordt er bij vermeld dat de veerdiensten tussen Italië en Griekenland wèl gewoon functioneren, voor zover er sprake is van Italiaans personeel aan boord….

Waarom wordt er zoveel gestaakt in Griekenland? Natuurlijk in de eerste plaats omdat er grote sociale onrust is vanwege de vele financiële aderlatingen die bijna alle Grieken hebben ondergaan in de afgelopen jaren. Even een schokkend cijfer: het gemiddelde salaris in Griekenland (€ 1124 per maand) ligt op bijna 1/3 van het gemiddelde salaris in Nederland (€ 3073 per maand). Bron: Wikipedia (Engelse versie).

Bij zulke getallen en in de wetenschap dat het prijsniveau voor dagelijkse producten niet zo heel veel lager ligt dan in Nederland kan sociale onrust gemakkelijk verklaard worden. Er gaan in Griekenland letterlijk mensen dood omdat ze de rekening van de dokter niet kunnen betalen, en er zitten mensen in de kou omdat er geen geld is voor verwarming – iets wat in de soms koude Atheense winter geen overbodige luxe is.
Helpt het staken? Oppervlakkig bezien niet: er gaat geen mens meer door verdienen, er wordt geen mens minder om ontslagen. Staken in Griekenland is dan ook meer een uiting van politieke onmacht, die verergerd wordt door het in verregaande mate corrupte systeem.  Berucht is het land vanwege de ontelbare ‘politieke’  benoemingen, met als schrijnend voorbeeld het –overigens schitterende-  nieuwe Akropolismuseum in Athene. De directeur van dat museum komt oorspronkelijk uit een achterafstreek op de Peloponnesos, en – geloof het of niet -  laat een groot deel van het personeel van het museum nou ‘toevallig’  ook uit die streek komen! Het zou toch wat zijn als pak ‘m beet 40% van de personeelsleden van het Amsterdamse Rijksmuseum uit de geboorteplaats van de directeur (Wim Pijbes, geboren in Veendam) zou zijn gerecruteerd…ondenkbaar in Nederland, heel gewoon in Griekenland.

Tegen corruptie is haast geen kruid gewassen, want het zit diep verankerd in de mediterrane maatschappij die ook in Griekenland de boventoon voert. Waar Nederland met Canada de 9e plaats op de (2012) wereldschaal van corruptie inneemt staat Griekenland op een schamele (met Colombia, India, Benin, Djibouti, Moldavië, Senegal en Mongolië gedeelde) 94e plaats. Bron:The Guardian 
Nog beroerder staat het land er voor als je deze score vergelijkt met die van het jaar daarvoor: in 2011 stond Griekenland nog op een 80e plaats….

Of je het land helpt door alles plat te gooien betwijfel ik, maar het zou in ieder geval een goede zaak zijn om een grotere transparantie na te streven. Wie verdient wat, wie heeft waar zijn/haar geld gestald, wie gaf baantjes weg, wie profiteerde(n) daarvan? Wat vragen artsen aan patiënten ‘buiten de rekening om’, hoeveel betaal je werkelijk voor een stukje grond voor een huis? En talloze vragen meer. Ik vrees echter dat het nog wel een paar generaties (stakende) Grieken gaat vergen om dit voor elkaar te boksen….


Lekkers
Een receptje uit de winterkeuken. Daarbij moet bedacht worden dat ik werkelijk dol ben op sinaasappels: mijn moeder placht me wel eens sinaasappel-jantje te noemen. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik een sinaasappel eet. En volgens mijn zus is mijn peltechniek weergaloos…..binnen luttele seconden is de sinaasappel ontdaan van zijn schil, met blote vingers wel te verstaan. In de maanden december tot en met februari koop je (meest bij de biologische groente- en fruitkramen) op de markt bittere sinaasappels. Deze komen meestal uit het zuiden van Spanjje: dit jaar had ik er van het merk Ave Maria. Let er wel op of de schillen nog gaaf zijn: die heb je namelijk ook nodig!

Marmelade van bittere sinaasappels - tijdsduur: 1 + 1 ½ uur Ingredienten: 1 kg bittere sinaasappels 1 ¼ liter water sap van 1 citroen 1000 gram geleisuiker

• Sinaasappels schoon boenen, en opzetten met het water, af en toe roeren en een uur zachtjes laten koken. Nacht in kookvocht in de pan laten staan.
• Volgende dag: sinaasappels halveren, vruchtvlees er uit halen, pitten zorgvuldig verwijderen (dat is het meeste werk!), schillen bewaren (kroontjes ook verwijderen)
• Vruchtvlees in kookvocht doen, sap van 1 citroen erbij, sinaasappelschillen in kleine stukjes snijden en erbij voegen. Half uur zachtjes laten koken.
• 1000 gram geleisuiker erbij doen, nog vijf minuten zachtjes laten koken.
• Schoongemaakte, uitgekookte potten (o.a. verkrijgbaar bij Xenos, maar je kunt natuurlijk ook heel goed ‘oude’ jampotten gebruiken) geheel vullen met de hete marmalade, afsluiten en af laten koelen.


De Griekse keuken

Griekse kookkunst: het is erg ‘in’ om daar schamper over te doen, met de eeuwige moussaka en choriatiki-salade voor ogen. En eerlijk is eerlijk: ook mij bevalt de Italiaanse keuken in het algemeen veel beter dan de Griekse. Waar de Italianen met weinig ingrediënten in staat zijn te toveren, doen de Grieken er nog een scheut olijfolie bij en vinden het dan allemaal best….zo lang het de toeristische keuken betreft dan. Ik ben er van overtuigd dat er binnenshuis bij Grieken méér te genieten valt, en daarom zocht ik eens wat recepten op die ook gemakkelijk aan de toerist geserveerd zouden kunnen worden. De inspiratie daarvoor deed ik op in één van de leukste restaurants die ik ken: Epinio op het eiland Tinos. Achter de kookpotten staat daar een wat ouder Oekraïens echtpaar, en de hoofdgerechten worden uitgeserveerd door de immer rokende Grigori en door mijn vaste ‘maatje’ Zacharias. De beide jonge terrashulpjes zorgen voor de aanvoer van water en wijn, de ‘meze’ (kleine hapjes vooraf) en het vrijwel altijd gratis dessert, en voor het opruimen van de resten. Het is er altijd druk, van lunchtijd tot midden in de nacht, en dat zegt ook wel wat over de kwaliteit van de geleverde waren. 

Een simpele lunch….

Laten we de ‘meze’ even buiten beschouwing (dat kan heel goed een stukje brood met tarama-salade zijn, een soort romige, roze saus met daarin viskuit), dan komen we bij het hoofdgerecht uit, waarvoor je bijvoorbeeld eens lamskoteletjes (paidakia) kunt maken. Simpeler dan dit gerecht kan haast niet: men neme wat lamskoteletjes, je droogt ze even af met keukenpapier, kruidt ze met oregano, peper en wat grof gemalen zeezout, dan olijfolie er overheen sprenkelen, op de grill leggen en snel keren – de koteletjes hebben nog wel eens de neiging snel aan te branden. Zodra er zich een krokant laagje op de koteletjes heeft gevormd zijn de paidakia eigenlijk al klaar. Serveren met schijfjes citroen, een gemengde salade van komkommer, tomaat, ui-ringen, zwarte olijven, kappertjes en feta (ja: de beroemde Griekse boeren- ofwel choriatiki-salade) en brood is eigenlijk al genoeg.  καλή όρεξη - kali orexi (eet smakelijk)!


Oudheid
Antiek, maar toch levend

Toen ik in 1976 geschiedenis ging studeren was dat min of meer een gok: het vak zelf had niet mijn bijzondere belangstelling, en op de middelbare school had ik er ook maar enkele jaren onderwijs in genoten. Vaak hoor je dat de leraar geschiedenis zo’n enorme invloed op de latere studiekeuze uitoefent, maar dat was bij ons – met een cynicus genaamd Boonstoppel (what’s in a name?) – zeker niet het geval, tenminste: niet in het positieve. Maar goed: na een jaar mezelf bekwaamd te hebben in de grondslagen van de farmacie werd het tijd voor iets anders, en omdat kunstgeschiedenis helemaal geen beroepsperspectief had werd het dus geschiedenis. In die tijd was de studie verdeeld in een kandidaatsexamen (na twee jaren) en een doctoraalexamen (na drie jaren). De echte specialisatie vond plaats in de doctoraalfase, dus dat bood me nog even uitstel. Op zeker moment was het dan zover: welke richting in de geschiedenis zou het moeten gaan worden? De keuzes lagen bij Oude Geschiedenis (tot circa 500 na Chr.), Middeleeuwse Geschiedenis (500-1500), Nieuwe Geschiedenis (1500-1789), Nieuwste Geschiedenis (1789-1945) en Contemporaine Geschiedenis (1945-heden). Sociaal-Economische Geschiedenis zou het zeker niet worden, en over de periodieke indeling viel niet meer te zeggen dan dat het een lastige keuze zou worden.

Wat de doorslag gaf: mijn vakanties in Griekenland in die periode (1974-1980). Interessant land, en een prachtige, zij het verbrokkelde herinnering aan grootse tijden, in de vorm van tempels als het Parthenon in Athene, het antieke theater van Epidauros en talloze museumstukkken die me wel boeiden. Bovendien waren de lessen op de middelbare school in de klassieke talen wèl inspirerend geweest….en zo kwam ik dus uit op dit vak. Spijt heb ik er nooit van gehad: het was best een lastig vak, o.a. omdat je toch wel geacht werd Grieks en Latijn te kunnen begrijpen (en ik had maar twee jaar Latijn gehad), en ook nog eens Italiaans te kunnen lezen, omdat veel wetenschappelijke artikelen in dat vak - en ook in de klassieke archeologie, wat ik enthousiast als bijvak koos - nu eenmaal in die taal geschreven waren. Maar het was èn is nog steeds een prachtig vak., al was het alleen maar uit esthetische motieven. Het lezen van een antiek stuk van Sophokles, het grondig bestuderen van de bouw van Griekse en Romeinse theaters, het je verdiepen in de manier waarop de Romeinen aankeken tegen homoseksualiteit (mijn scriptieonderwerp): ik heb het met veel plezier gedaan. En pluk er nog steeds de vruchten van. Een voorstelling van Medea door het Noord Nederlands Toneel bijvoorbeeld,: je beziet zo’n stuk toch anders - met de achtergrondkennis die je hebt meegekregen. De ontwikkeling van godsdiensten, politieke bewegingen, sociale verbanden….alles kan ook bezien worden met gedegen kennis van de Oudheid in je achterhoofd. Heerlijk vak, ook nog na zoveel jaren….


De Grote Opzichter

We zijn er al zo’n 2000 jaar aan gewend om het over één God te hebben, maar het komt me soms aantrekkelijker voor om het bestaan van meer goden te onderzoeken, dan wel aan te hangen. De katholieke kerk (en ook de orthodoxe kerken delen mee in deze vreugde) heeft dat eigenlijk heel handig opgelost: noem die hogere rangen en standen geen goden, maar heiligen. Je krijgt hetzelfde gewenste effect: aanbidding en/of verering kan helpen bij het oplossen van allerlei problemen. Soms heel aards: je bent iets kwijt en je bidt tot de H. Antonius van Padua, die je dan kan helpen het verloren voorwerp terug te vinden. Of je mijngang is ingestort, en je smeekt om redding via de H. Barbara, die o.a. over de mijnwerkers gaat (maar ook over het begrafeniswezen….). 
De Grieken hadden voor dit alles en nog veel meer tal van goden beschikbaar. Wij lazen op het gymnasium in het beroemde boekje “Van Goden en Helden” over al die krachtpatsers en schuinsmarcheerders uit de Oudheid. Zeus aan het hoofd, iets mindere goden (Hephaistos, Apollo, Ares, Dionysus etc.) daaronder. En dan had je natuurlijk ook nog de vele godinnen: Hera, Pallas Athene, Persephone, Demeter, en wie niet al.

De godheid die me altijd het meest heeft aangesproken was Apollo. Daarvoor zijn veel redenen. In de eerste plaats was het voor mij de personificatie van deze godheid, in beeld: een mooie jongeman, schaars gekleed, baardloos, jong en vol kracht. Maar ook de zaken waar hij voor stond spraken me aan: zon en licht, waarheid en voorspelling, muziek, poëzie en genezing, om er maar eens enkele te noemen. Een veelzijdige godheid, met een krachtig imago. 
Talrijk zijn in de mediterrane wereld de plekken met heiligdommen voor Apollo. Het meest beroemd is natuurlijk Delphi, onmiddellijk gevolgd door het eiland Delos (pal naast Mykonos). Mijn eigen Apollo-plek ligt echter wat verscholen, op het schiereiland van de Peloponnesos. Enkele jaren geleden was ik er voor het eerst, en de magie van de plek voel ik nóg, nu ik er aan terugdenk.

We moeten deze tempel zoeken in het plaatsje Vassès (Bassae), zo’n 20 kilometer van de westkust van de Peloponnesos. De weg naar Bassae is kronkelig en lang, en gaat behoorlijk de hoogte in. Uiteindelijk vinden we de tempel op een plateau op 1130 meter boven zeeniveau. Of eigenlijk is ‘vinden’ niet het goede woord: het is meer ‘ontdekken’. De tempel staat namelijk al sinds een aantal jaren niet meer in de open lucht, maar zit in een enorme tent verborgen. Dat laatste doet beslist afbreuk aan de magie van de locatie, maar is helaas nodig, o.a. vanwege de dreiging van totaal verval vanwege zure regen. Ook is men al 25 jaar bezig met de restauratie van de tempel, waarvan geen enkele zuil meer helemaal recht stond. Nou is dat laatste op zich niet vreemd, want als het goed is staan bij Griekse tempels alle zuilen licht uit het lood. Dat heeft te maken met het feit dat ons oog dergelijke constructies niet goed aan kan, en de Griekse architecten wisten dat. Door zuilen in het midden iets te laten verdikken (zogenaamde ‘entasis’) en door zowel het grondplateau naar het midden toe iets te laten krommen als de zuilen wat naar binnen te laten wijken lijkt het optisch of alles mooi recht staat.

Ondanks de enorme tent, die voorlopig ook nog wel niet verwijderd zal worden, is er op deze plek iets bijzonders aan de hand, maar daarvoor zal ik de lezer even iets meer over mezelf moeten vertellen. Bijna tien jaar geleden werd ik ernstig ziek (darmkanker), en aanvankelijk zag het er niet zo goed uit, zeker niet toen twee jaar na de eerste ziekteverschijnselen en een operatie ook nog weer uitzaaiingen in mijn lever werden gezien. Operaties en chemokuren moesten de zaak nog een beetje in toom houden, en op het moment dat we deze tempel bezochten leek het er op dat er in ieder geval ‘uitstel van executie’ zou bestaan. Ruim een jaar na het bezoek aan Bassae werden er ook nog wat longoperaties uitgevoerd, die tot nu toe het gewenste effect laten zien: er zijn geen uitzaaiingen meer waargenomen. In Bassae zelf zetelt Apollo, althans: de tempel is aan hem gewijd. En om precies te zijn: het gaat hier om Apollo Epikourios, oftewel: de Opzichter. En juist daar bekroop me het gevoel, toen ik op die welhaast mystieke plaats rondliep, dat Apollo het goed met me voorhad. Hij liet me voelen dat hij donders goed wist hoe bezorgd ik was (ook al sprak ik daar weinig over), en ook dat hij toezicht zou gaan houden. Sinds dat moment eer ik –bijna altijd in stilte, maar dankzij deze website dus nu ook in het openbaar- Apollo nog meer dan ik voorheen al deed. Hij ziet toe, beschermt me als het ware. En het vreemde is: het is voor mij allemaal heel erg vanzelfsprekend, terwijl het aan anderen meestal moeilijk uit te leggen valt. Want ja: wie gelooft er nog in God, laat staan in goden??


Varia
Staatsloterij

Jaja: de hoofdprijs is weer geweldig dit jaar: op Oudejaarsavond kun je E 30 miljoen winnen en tegelijkertijd ook de kas van minister Dijsselbloem spekken. Op de vraag wat hij zou doen als hij de hoofdprijs in de lotto zou winnen, antwoordde een vriend van mijn broer ooit: “eerst natellen, en dan een kroket kopen”. Helemaal correct, dunkt me. Maar wat zou ik doen als ik die prijs zou winnen? Dertig miljoen euro’s……het is een onoverzienbaar bedrag voor bijna iedereen. Een oud-collega van me keek eens per computer naar haar banksaldo en zag daar ook ineens een bedrag van vele tientallen miljoenen op staan….bleek een vergissing te zijn. Alleen van de rente al kun je dagelijks flink in de bus blazen: stel dat je 30 miljoen op je rekening gestort krijgt, dan is dat (tegen 3 % rente) E 900.000 per jaar, dus (afgerond) E 2.465 per dag….bij zoiets moet je echt niet te lang stilstaan.

Maar goed: wat zou ik er mee doen, zo luidde de vraag. Om te beginnen, maar wèl na die kroket, gaan er 5 miljoen per dochter op de respectievelijke spaarrekeningen. Dan zijn we gelijk de helft kwijt: een grote zorg minder. Resteren 15 miljoen euro’s. Daarvan gaan er 5 miljoen in een zelf op te zetten goede-doelen-fonds: overzichtelijke projecten in ontwikkelingslanden steunen, kleine initiatieven op het gebied van kunst en cultuur (mede) mogelijk maken, acute nood lenigen….dat soort zaken. Daarvoor is (met die rente van 3 %) dus ruim E 800 per dag beschikbaar. We houden nog tien miljoen over. Daarvan gaan er ook weer vijf op een goed rentende rekening, zodat we allebei wat minder kunnen gaan werken en de rest van de tijd aan andere, óók belangrijke zaken kunnen spenderen. Eindelijk eens dat proefschrift schrijven, het opzetten van een eigen bedrijf, een fietstocht naar Rome maken. En dan het laatste bedrag van vijf miljoen. Ach ja: laten we daarvoor maar een mooi huis laten bouwen, ergens op het Groninger platteland. Met ruimte om ons heen, een zwemvijver in de tuin, wat ganzen en ander kleinvee….moet kunnen voor een miljoen. En twee vakantiehuizen: eentje op Sicilië, en eentje op het Griekse eiland Tinos. Accoord: nog een miljoen kwijt. Resteren er nog drie. “Vrienden” van een heleboel culturele instellingen worden, met mooie concerten in Amsterdam, Groningen, Berlijn, Rome en andere leuke plekken in het vooruitzicht….mag een half miljoen kosten.

Die laatste 2 ½ miljoen is te gebruiken voor/door vrienden en familieleden, die een draai aan hun leven willen geven en een renteloze lening nodig hebben om hun plannen eindelijk ten uitvoer te brengen….. Hèhè….alles is op!!

Mag ik nu een kroket??


Z = hij leeft!

Ergens eind jaren ’70 zag ik de film ‘Z’ van de Grieks-Franse cineast Konstantinos Gavras (beter bekend als Costa-Gavras). ‘Z’ gaat over het onderzoek van rechter Christos Sartzetakis (gespeeld door Jean-Louis Trintignant) naar de moord op de Griekse politicus Grigoris Lambrakis (gespeeld door Yves Montand), een gebeurtenis uit het jaar 1963 – dit jaar dus vijftig jaar geleden. Griekenland was aan het begin van de jaren ’60 weliswaar officieel een democratisch land, maar het leed nog erg onder de naweeën van de Tweede Wereldoorlog en –nog meer – onder die van de daaropvolgende burgeroorlog, die het land tussen 1946 en 1949 teisterde. In de begindagen van de Koude Oorlog woedde er in Griekenland een wrede, maar bij velen onbekende strijd tussen (meest communistisch) links en (meest anti-democratisch) rechts, met verschrikkelijke gevolgen die zelfs tot op de dag van vandaag nog merkbaar schijnen te zijn: hele families werden uit elkaar gespeeld door politieke keuzes, en iedereen in een dorp of stadswijk wist (en weet!) wie de ‘slechteriken’ en wie de ‘goeden’ waren geweest.

Lambrakis behoorde tot het linker kamp, zij het niet als communist. In feite was zijn partij (EDA) de enige nog toegestane linkse partij, nadat ‘rechts’ de Burgeroorlog had gewonnen. Griekenland in die periode doet denken aan Spanje onder Franco: er werd voornamelijk gezwegen over het pijnlijke verleden, en het al wat voorzichtig opkomende toerisme zou het land van de financiële ondergang moeten gaan redden. Lambrakis, arts en pacifist in hart en nieren, organiseerde op 21 april 1963 een Vredesdemonstratie van Marathon naar Athene, ter ondersteuning van de pacifistische beweging in Griekenland. De tocht werd verboden, veel deelnemers gearresteerd (waaronder de later zo beroemde componist Mikis Theodorakis), maar Lambrakis was –als lid van het parlement- onschendbaar en ontliep arrestatie. Toen hij echter later dat jaar een openbare redevoering in Thessaloniki hield werd hij daar (op 22 mei 1963) door twee rechts-extremisten met een knuppel op zijn hoofd geslagen, waarna hij vijf dagen later stierf. Links beschuldigde rechts van een politieke moord, en op de dag van de begrafenis demonstreerden 500.000 Grieken in Athene tegen de rechtse regering en tegen het koningshuis, dat gezien werd als een belangrijke supporter van rechts Griekenland.

Onderzoeksrechter Christos Sartzetakis kreeg het voor elkaar om de hoofdschuldigen, en vooral ook de bij de moord op Lambrakis betrokken politie-officieren, in het gevang te laten werpen, maar enkele jaren later werden al deze betrokkenen door het sinds 1967 bestaande kolonelsregime gerehabiliteerd, en op hoge posten terug gezet. Costa-Gravas baseerde zijn protestfilm ‘Z’ tegen het kolonelsregime (uit 1969) op het in 1966 verschenen boek van Vassili Vassilikos met dezelfde titel.

Wat ik me uit de film herinner is de moordaanslag zelf, maar vooral de spetterende verhoren van de politie-officieren door Sartzetakis, de man die het overigens na het kolonelsregime nog bracht tot president van de Republiek Griekenland. Helaas zag ik de film pas na mijn eerste bezoek aan Griekenland (in de zomer van 1974, aan het uiterste eind van het kolonelsregime, waarvan ik de val mee mocht maken), anders had ik ook minder hard op het Atheense Syntagma-plein gejuicht voor de teruggekeerde Konstantinos Karamanlis – deze laatste was (1963) in een zelfgekozen verbanning in Parijs gaan wonen, maar ten tijde van de moord op Lambrakis was hij wél de premier van Griekenland……de Grieken waren kennelijk vergeten dat hij waarschijnlijk ook van de moord op Lambrakis wist.

Mede vanwege deze Griekse politieke wirwar (en vanwege het mee mogen maken van die omwenteling in 1974) ben ik destijds uiteindelijk geschiedenis gaan studeren: in Nederland gebeurde er niet zo veel, maar in het buitenland des te meer! Als je een historische gebeurtenis bij mag wonen, dan ontstaat –althans: bij mij - ook de behoefte om er meer over te weten te komen.

In ‘Z’ komt ook Mikis Theodorakis (medestander van Lambrakis) aan bod, als ‘huiscomponist’ van Costa-Gravas. Het prachtige lied ‘to yelasto paidi’, gezongen door de weergaloze alt Maria Farantouri, mocht na de zomer van 1974 weer in Griekenland uitgevoerd worden, zoals te zien is op bijgaande opname. En ‘Z’ zou ik graag weer eens terug willen zien…… en gelukkig staat deze film ook op youtube, zij het niet ondertiteld en Frans gesproken.

Voor Theodorakis’ ballade ‘to yelasto paidi’, zie Youtube   (na 5 seconden kun je het reclamefilmpje wegklikken) Voor ‘Z’ zie ook Youtube

 


 


 

 
 
 

© Han Borg - Nederland 2015